Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen

woensdag 9 maart 2011

Recensie: Raduza - V Hore (2005)

De laatste dagen ben ik behoorlijk in Oost-Europese muzieksferen. Soms heb ik van die buien dat ik benieuwd ben naar de muziekcultuur in het buitenland en zomaar lukraak wat dingen ga luisteren die in pakweg Polen, Letland of Hongarije hoog aangeschreven gaan. Dat levert regelmatig leuke ontdekkingen op. Zo ben ik erg te spreken over de Tsjechische singer/songwriterstraditie. Mijn meest recente vondst: Karel Kryl, een protestzanger die al sinds eind jaren zestig actief was. Zijn prachtige debuutalbum schoot het communistische regime in het verkeerde keelgat. De plaat werd uit de handel genomen, Kryl werd gearresteerd. Hij kon uiteindelijk naar West-Duitsland vluchten, waar hij in 1994 overleed.

Uit een eerdere Oost-Europese opwelling en op aanraden van een vriend heb ik echter al een niet meer te overtreffen favoriete uit Tsjechië. Van een heel andere generatie, want de albums van Raduza (officiëel met zo'n Tsjechisch rondje op de u, maar die kan ik even niet vinden) dateren van na de val van de muur. Waar ze over zingt? Geen idee, want ik ben de taal niet machtig. Dat doet er verder weinig toe, want met haar prachtige altstem weet ze zó veel zeggingskracht over te brengen dat ik direct hoor dat het haar menens is.

Wat kan een mens van zo'n Raduza verwachten? Dat verschilt nogal. Ze is nogal dol op korte, puntige accordeonballads, maar die wisselt ze dan wel weer af met stukken die eerder aan Franse chansons doet denken. Raduza beperkt zich overigens niet tot alleen Tsjechisch. Als ik het tekstenboekje bij haar cd V Hore mag geloven, zingt ze zo hier en daar in het Russisch, Pools of zelfs een zinnetje Noors. Van alle voor haar vreemde talen is Frans toch met afstand het meest aanwezig. In het vernuftige De Nimes bijvoorbeeld, waar Franse en Tsjechische zanglijntjes moeiteloos in elkaar overvloeien op een latin/reggae-achtig deuntje met daaroverheen een toch weer meer Oost-Europees aandoende melodielijn. Kortom: de multiculti is ook ook in Tsjechië doorgedrongen.

Toch klinkt V Hore geenszins als een samenraapsel of een allegaartje. De plaat klinkt toch vooral als een Praagse lente, maar dan in een modern jasje. Traditioneel? Ja, maar dan wel vermengd met invloeden van buitenaf. De stem en voordracht van Raduza doen de rest. Want zelfs als ze in onvervalst Frans de stad Mulhouse bezingt, klinkt dat niet als een poging tot geforceerde interessantdoenerij. De taal is slechts een middel, en het Frans past haar net zo goed als het Tsjechisch op het volgende nummer of het Italiaans van een paar tracks eerder. Ook Tsjechië brengt inmiddels wereldburgers voort. Geworteld in de eigen traditie, dat wel. Maar dat maakt Raduza nu juist zo interessant :).


vrijdag 11 februari 2011

Recensie: Chumbawamba - Pictures of Starving Children Sell Records

'I get knocked down, but I get up again.' Mede dankzij een voetbalspelletje liep de halve westerse wereld eind jaren negentig met dat zinnetje in zijn hoofd. Tubthumping van Chumbawamba - u kent het nog wel - was in 1997/98 nogal een hit. Een hit, ja. Op het label EMI zelfs.

Nee, dan zag de wereld er voor Chumbawamba in 1986 toch heel anders uit. Een hit? Gadverdamme, wat een vies woord. De band maakte toen namelijk nogal cynische anarchopunk waarin ze de maatschappij, de muziekwereld en wat dies meer zij zonder enige nuance op de hak namen. Een blik op de tracklist van hun debuutalbum Pictures of Starving Children Sell Records maakt dat al spoedig duidelijk. Daarop staan titels als British Colonialism and the BBC, More Whitewashing en Coca Colanisation. De teksten - of je je er nu in kunt vinden of niet - zijn zonder meer grappig. In How to Get Your Band on Television bijvoorbeeld:

Paul McCarney - Come on Down!
With crocodile tears to irrigate this ground
Make of Ethiopia a fertile paradise
Where everyone sings Beatles songs and buys shares in EMI


Dit ruim acht minuten durende openingsnummer is wat mij betreft meteen het hoogtepunt van de plaat. Na een lang intro (trompetje!) verandert het nummer plots van ritme en mag de zangeres eerst haar gal spuien. Na een korte break gaat het gas erop met een jengelorgeltje en een tot op het bot cynische zanger met een heerlijk vals brits accent. En boos dat-ie is...

Chumbawamba maakt hier geen punkrock zoals in 1977 gewoon was: het is vooral de tegen-attitude van de band die het labeltje punk met zich meebrengt. Muzikaal is het zelfs een behoorlijk gevarieerde plaat. Vaak poppy, met de tempowisselingen en wendingen van een postpunkband en een zangeres die op een of andere manier vaak bijna als een folkdiva. Het laatste nummer Invasion is dan wel weer voor een deel pure punk, maar dan wel met twee minuten pop in het midden.

Het klinkt allemaal vrij onmogelijk te combineren, maar Pictures of Starving Children Sell Records is boven alles gewoon een leuke, coherente plaat. En een stuk interessanter dan die hit uit 1997, wat mij betreft.

zaterdag 5 februari 2011

Recensie: Built to Spill - You in Reverse

Als ik een favoriete band van de laatste twintig jaar zou moeten aanwijzen, kom ik bij Built to Spill uit. Doug Martsch en kornuiten hebben onder liefhebbers van licht-psychedelische indierock (ja, die zijn er) een welhaast mythische status opgebouwd. De band staat samen met bijvoorbeeld Modest Mouse model voor een stroming Amerikaanse bands die het beste van Neil Young en Sonic Youth op een hoop hebben gegooid. Built to Spillvoorman Martsch wordt niet voor niets als 'de Neil Young van de indiescene' weggezet.

Bekendste album van de band is het onvolprezen Perfect from Now on uit 1997. De plaat bevat acht nummer van gemiddeld ruim zes minuten, een vrij lange speelduur voor het genre waarin Built to Spill opereert. De nummers schieten voor de nietsvermoedende luisteraar bij de eerste draaibeurt nogal alle kanten uit. Soms naar een traditioneel stukje countrypop, soms ook naar een psychedelische gitaar/cello-jamsessie. Het komt nogal eens voor dat mensen vergeten de rest van het Built to Spilloeuvre te luisteren nadat ze eenmaal voor Perfect from Now on gevallen zijn. Dat is jammer, want zij missen nogal wat.

Daarom wil ik hier even een lans breken voor het veel recentere You in Reverse (2006). Ik raad de Built to Spillbeginner zelfs aan om deze plaat eerst eens op te leggen, want het is een ideale instapper voor de rest van hun werk. De plaat ligt iets makkelijker in het gehoor als Perfect from Now on en is wat mij betreft hun toegankelijkste album. Het extatische openingsnummer Goin' Against Your Mind geeft het typische geluid van de band al in een notendop neer. Het ligt van alle You in Reversenummers dan ook het dichtst bij de Perfect from Now on-sound. De band opent met een twee minuten durend knalintro, daarna valt de kenmerkende hoge zang van Doug Martsch in. In het midden gaat het gas er even af, waarop de band voor de climax weer terugkeert bij het thema uit het begin van het nummer.

Traces laat vervolgens meteen de meer poppy kant van de band zien. Melodieus gitaarwerk, een vrij conventioneel gitaarliedje met de wortels in de countryrock van Neil Young. Ook hier gaat aan het eind het gas er nog even op. Zo behoort met name de eerste helft van deze plaat tot het allerbeste dat de band heeft voortgebracht. Saturday is een kort, lo-fiachtig nummer zoals Built to Spill ze in zijn eerste jaren vaak maakte. Wherever You Go grijpt weer meer terug op de formule van Goin' Against Your Mind. Van de eerste helft vind ik het veelgeprezen Liar eigenlijk nog het minste nummer.

Jammer genoeg wordt het duizelingwekkend hoge niveau niet helemaal vastgehouden. Ik luister de plaat daardoor lang niet altijd tot het eind uit, een bekend nadeel bij albums waar het zwaartepunt nogal aan de voorkant zit. Maar juist het feit dat het begin geenszins onderdoet voor Perfect from Now on, is een prestatie op zich. Knap is bovendien dat Built to Spill tussen 1994 en de laatste in 2009 maar goede platen blijft afleveren. Er zijn niet veel bands die hun creatieve hoogtepunt langer dan tien jaar aan weten te houden. Ik kom zelf eigenlijk maar tot twee: R.E.M. (82-96) en dit gezelschap.

maandag 31 januari 2011

Recensie: Siouxsie & The Banshees - The Scream

Er zijn van die artiesten waarvoor ik de tijd dolgraag 30 jaar zou willen terugdraaien. Die ik eigenlijk in hun hoogtijdagen aan het werk zou willen hebben gezien, ondanks dat ik toen nog lang niet geboren was. Neem nou Siouxsie en haar Banshees. Ik heb nog nooit de moeite genomen om oude live-opnames van ze op te zoeken, noch heb ik er iemand over horen vertellen. Maar mijn muzikaal fingerspitzengefühl zegt dat het een geweldige ervaring moet zijn geweest. Een jonge, rebelse punkdiva in een veel te krap zaaltje, bij voorkeur ergens in een kelder. Op het podium staat een indrukwekkende vrouw met haar linkerarm in de lucht te zwaaien, terwijl ze haar hart uitstort in de microfoon. Ze verkracht er eigenhandig een Beatlesnummer door Helter Skelter valser dan vals de zaal in te fulmineren.

Zo moet het er in 1978 wel bijna aan toe zijn gegaan, ten tijde van het debuut van Siouxsie & The Banshees. Er zijn maar weinig albums die hun titel zoveel eer aan doen als The Scream. Siouxsie, die op latere singles als Christine en Cities in Dust nog wel eens zingend te horen is, schreeuwt hier namelijk slechts. In punknummers die schreeuwerig horen te zijn, maar ook in een downtempotrack als Overground.

Je moet ervan houden, zullen we maar zeggen. En tegelijk ook nog eens een beetje in een recalcitrante bui zijn. Maar dan openbaart The Scream zich als een aardedonker meesterwerk. Want onder het zwarte pantser zitten een aantal van Siouxsies beste liedjes. Jigsaw Feeling loopt vooruit op het typische gothicgeluid van haar latere album Juju uit 1981. Mirage is een in essentie vrij poppy punknummer waarvan met terugwerkende kracht de eerste tonen nogal opvallen. Je zou er het begin van de eind jaren tachtig opbloeiende shoegaze-scene in kunnen horen. Metal Postcard klinkt daadwerkelijk behoorlijk metalig.

Het toch vrij eendimensionale geschreeuw maakt de plaat wat moeilijk te doorgronden en minder toegankelijk dan latere albums als Kaleidoscope (1980) en Juju. Ook nu is Siouxsie nog steeds actief: ze bracht in 2007 nog een soloalbum uit, zonder Banshees dus. Ik heb die plaat nog nooit geluisterd, maar het houdt bij mij in elk geval de hoop levend dat ik haar ooit nog eens zie optreden. Zelfs als ze nog maar een schim is van de vrouw die ik in gedachten in 1978 op het podium zie staan, is dat nog de moeite waard.

maandag 24 januari 2011

Concert: Godspeed You Black Emperor!

Als het erop aankomt, ben ik in de muziek toch het meest weg van een klassiek drie-minuten-popliedje. Daar mogen ze van mij best een hoop interessants omheen verzinnen. Zelfs als de drie minuten er acht worden, neem ik dat graag op de koop toe. Enorme noiseinferno's, instrumentale geluidsmuren en ambientwaves: ze zijn op zich aan mij wel besteed, mits de basisstructuur maar niet al te gedurfd is. Ik wil stiekem toch altijd een zanger(es) horen, die dan liefst ook nog een couplet én een refrein te berde brengt.

Ooit heb ik wel anders geprobeerd. Zo is daar bijvoorbeeld het genre postrock. Een tamelijk nietszeggende term, dus die vergt wat uitleg. Het begrip rock verwijst in dit geval vooral naar het instrumentarium waarbij gitaar, bas en drums gewoon de basis vormen. 'Post' staat dan blijkbaar in dit geval voor het afwijkende: het genre kenmerkt zich namelijk door het totaal ontbreken van couplet-refreinstructuur. Zang komt zelden terug in de lang uitgesponnen nummers die doorgaans van climax naar climax bouwen.

Grootste naam die de postrock heeft voorgebracht is het Canadese Godspeed You Black Emperor! Met hun EP Slow Riot for New Zero Kanada en hun eerste plaat F#A# verwierf de band eind jaren negentig een behoorlijk fanschare. Het zijn ook meteen twee van de weinig platen in het genre die ook bij mij werkelijk beklijven. Een uitstekende reden om op afgelopen woensdag op last-minutebasis toch nog naar het reeds uitverkochte concert in Paradiso te gaan.

Godspeed begon daar het eerste kwartier met de kant van het genre die ik minder kan waarderen. Een lang aanhoudende, vrij monotone drone met af en toe wat repetitief, noisy gitaarwerk. Intrigerend vond ik vooral dat het overstuurde gitaargeluid nogal werd versterkt door de betonnen paal waar ik pal naast zat. Die voor mij wat koude start was ze al meteen vergeven door het magnifieke tweede nummer (of moet je bij dit soort muziek van een 'stuk' spreken?) The Albanian. Godspeed op zijn best, als je het mij vraagt: soms ingetogen vioolspel, even later weer een flink met gitaar en drums aangezette climax.

En zo ging men op het podium onverminderd voort. Van de paal naast me had ik geen last meer; sterker nog, het geluid was prachtig. Dat gold ook voor de beeldcollages op het scherm achter het podium. In het begin trok er een flitsend wit licht als een bijna-doodervaring de zaal in; later werden er op de grauwe zwartwitfoto van een stad beelden geprojecteerd die het midden hielden tussen een nucleaire explosie en celdeling tijdens een biologiepracticum. De beelden waren vrij simpel, maar toch zo intrigerend dat je er naar bleef kijken.

Halverwege verraste Godspeed mij blij met mijn favoriete nummer van de eerdergenoemde Slow Riot-EP. Het fenomenaal opgebouwde Moya is bij mij een persoonlijke favoriet. Na het ook niet misselijke East Hastings had de band er inmiddels 1.45 uur muziek op zitten en begon ik mezelf op enige muzikale climaxvermoeidheid te betrappen. Daarbij kwam nog dat ik niet echt prinsheerlijk op een richeltje zat. Hoe prachtig het ook was, ik zat na een kleine twee uur toch echt wel aan mijn postrockmaximum. Naar Godspeed luisteren is namelijk niet alleen prachtig, maar op den duur toch ook wel erg heftig.

Toen ze het na meer dan tweeënhalf uur aan muzikale uitbarstingen voor gezien hielden, was ik eigenlijk wel blij dat er geen toegift meer volgde. Van de meer doorgewinterde fans hoorde ik achteraf dat ze het laatste halfuur als absoluut hoogtepunt zagen. Wellicht was ik dat met ze eens geweest als ze er halverwege een uurtje tussenuit hadden gehaald. Nu duurde het voor mij ongeveer een uur te lang en was ik bij het slotstuk aan het eind van mijn latijn. Ach, het zal misschien met mijn voorkeur voor drie-minuten-popliedjes te maken hebben...

maandag 10 januari 2011

Recensie: Yazoo - Upstairs at Eric's

Als inmiddels 24-jarige ben ik opgegroeid in het eurodancetijdperk. U weet wel, van die computerdeuntjes waarover een ietwat naar plastic klinkende zangeres een vrij voordehandliggend melodietje zingt. Soms wordt dit tafereel nog aangevuld door een meestal heel stoer kijkende rapper van derde garnituur. Niet echt een briljant genre dus, al mag ik er in een jeugdsentimentele bui nog steeds graag naar luisteren.

In dat verband is het ook wel leuk om eens te kijken waar de roots liggen van al die muziek die de hitlijsten van de jaren negentig beheerste. Die zijn bij eurodance vrij makkelijk te traceren, gezien de vele covers die het genre voortbracht. Sweet Dreams van Eurythmics komt vaak terug, evenals de meest pakkende deuntjes van OMD (Enola Gay bijvoorbeeld). De synthpop van begin jaren tachtig blijkt een belangrijke bron voor de hitparade van tien, vijftien jaar later.

Uit die periode vind ik Yazoo verbazingwekkend dicht in de buurt komen van het uiteindelijke eurodancegeluid. Vooral hun bekendste nummer, opener Don't Go, had evengoed uit 1995 kunnen stammen. Sterker nog, ik was jarenlang in de veronderstelling dat het nummer daadwerkelijk een van de hoogtepunten uit die tijd was. Een misvatting, want voormalig Depeche Modelid Vince Clarke en zangeres Alison  Moyet brachten dit al in 1982 uit.

De hele plaat klinkt wat mij betreft ook nét wat vlotter en moderner dan tijdgenoot Eurythmics. Verder zijn de tweede acts redelijk te vergelijken. Ze leunen beide op een magnifieke zangeres. aangevuld met beats en synthesizers. Grootste gevaar bij dat soort muziek is dat het goedkoop en cheesy gaat klinken, zoals het overgrote deel van de uiteindelijke eurodance.

Dat overkomt Yazoo op deze plaat gelukkig nergens. Don't Go is dan ook lang niet het enige prijsnummer. Afsluiter Situation hanteert een min of meer vergelijkbare formule en is zeker zo overtuigend. Daartussen toont het duo zich soms ook wat introspectiever. Die nummers hebben mijn voorkeur niet, maar zorgen wel dat het album als geheel behoorlijk in balans is en nergens doorschiet naar platte eurodance.

donderdag 6 januari 2011

Recensie: The Cardigans - Gran Turismo

Gran Turismo is typisch zo'n plaat die in menig cd-kast stof staat te vangen. The Cardigans waren immers redelijk bekend in de tweede helft van de jaren negentig. De Zweedse band timmerde in die tijd ook commercieel behoorlijk aan de weg. Singles als Lovefool, Carnival en My Favourite Game haalden zelfs de hitparade. Laatstgenoemd nummer was vooral befaamd om de spraakmakende joyrideclip met zangeres Nina Persson in de hoofdrol. Mocht u hem onverhoopt vergeten zijn, hier komt-ie:


Gran Turismo verkocht mede vanwege deze hit behoorlijk goed, ook in Nederland. Toch lijkt het album inmiddels een beetje in de vergetelheid geraakt. Ook ikzelf ga niet vrijuit, want de cd stond ook hier ergens achterin de kast. Toen ik om volkomen onduidelijke redenen ineens met Explode (wat mij betreft het prijsnummer) in mijn hoofd rondliep, besloot ik de plaat weer eens te luisteren. Het bleek liefde op het tweede gezicht; een echte herontdekking.

Want The Cardigans is veel meer dan een bandje met een mooie zangeres. Nina Persson zingt namelijk nog beter dan ze eruit ziet, en dat wil wat zeggen. Als een soort poolcirkelversie van de befaamde Franse zuchtmeisjes slaat ze zich door deze plaat heen. De kille electropop van de band matcht perfect maar haar even sensuele als nonchalante zang. Een nummer als Explode klinkt tot op het bot cynisch, maar als zij het zingt is het bijna porno. Of wat te denken van Do You Believe?, waarin Nina ons even uit de droom helpt:

Do you really think
That love is gonna save the world
Well, I don't think so
I just don't think so

Niet echt een briljant staaltje dichtkunst verder, maar het laat aan duidelijkheid in elk geval niets te wensen over. Juist vanwege de achteloze presentatie van Persson komen ze met dat soort teksten natuurlijk ruimschoots weg. Gran Turismo klinkt heel direct, maar toch ook erg spannend. Je vraagt je voortdurend af: wat gaat er nog meer achter deze vrouw schuil? In elk geval genoeg om deze plaat na jaren weer eens een herkansing te geven, want stiekem is dit een verborgen parel van de jaren negentig. En mocht u hem niet in de kast hebben staan: de uitverkoopbakken puilen uit van de onterecht miskende exemplaren, dus sla uw slag!


dinsdag 4 januari 2011

Recensie: Wire - 154

Vroeger lustte ik geen paprikachips. Althans, dat dacht ik. Tot het moment dat ik bij mijn lievelingstante een zogenaamd smikkelbakje kreeg, waarbij ik geen acht sloeg op de poederachtige substantie die de aardappelschijfjes omgaf. Wat schetste mijn verbazing: paprikachips! Ik proefde ze voor het eerst en lustte ze dus toch. Ondanks mijn hardnekkige vooroordeel.

Een belachelijke gedachtekronkel van een vijfjarige? Misschien. Ik had zo mijn gebruiksaanwijzing vroeger. Een dinosaurustic, een bimbamklokkenfobie... Gelukkig is het allemaal redelijk bijgetrokken in de loop der jaren. Hoewel...

De volstrekt belachelijke neiging om iets af te wijzen voordat ik het goed en wel heb ervaren, zit er nog steeds een beetje in. Want ik moet hier dan maar bekennen: lang dacht ik dat Wire een soort van minimalistische, ontoegankelijke hardcorepunkband was. En lang dacht ik dat ik minimalistische, ontoegankelijke hardcorepunk toch nooit zou kunnen waarderen. Dus liet ik Wire links liggen. Tot eind vorig jaar, want zelfs een muzikaal watje als ik krijgt een keer een punkfase. Met een paar verzamelaars binnen handbereik - punk is toch vaak niet echt een albumding - stuitte ik op Mannequin. Een tintelfris popliedje eigenlijk, verpakt in de attitude van 1977.

Deze 154 kende ik toen al even. I Should Have Known Better verbaasde me bij eerste beluistering wel: dit leek meer op de jaren-80-gothic dan op de hardcorepunk waar ik Wire voor had aangezien. De rest van de plaat beklijfde nog niet, gek genoeg. Daar had ik toch Mannequin voor nodig. Want - misschien door mijn punkfase - viel het Wirekwartje wel bij Pink Flag. Uitgerekend de plaat die dicht in de buurt kwam van mijn oude vooroordeel, begon me te intrigeren. De korte no-nonsensnummers brachten spanning, maar tussen neus en lippen door bleek Wire af en toe erg poppy.

En zo keerde ik terug bij 154, die langzaam groeide. En groeide. En groeide. Ten opzichte van Pink Flag is Wire hier weliswaar geen 180, maar toch zeker wel een graad of 90 gedraaid. De minimalistische punk heeft plaatsgemaakt voor een geladen postpunkgeluid. Maar opvallend genoeg: de poppy kant is gebleven, evenals de onvermijdelijke 1977-roots. Dit alles resulteert in een smeltkroes van al het goede dat de punkgolf teweeg heeft gebracht.

Neem de eerdergenoemde opener I Should Have Known Better. Dat galmt als een gothische kathedraal, of beter: als bijvoorbeeld The Chameleons. Als een van de eersten (Joy Division klinkt op Unknown Pleasures (1979) nog dof, maar galmt op Closer (1980) vrolijk (ahum...) mee) zet Wire de toon voor de gothic. Om nog maar te zwijgen over het loodzware A Touching Display, dat al voorzichtig refereert aan de industrial. Dat geldt al helemaal voor Let's Panic Later, waarin bands als Psychic TV en Coil bijna één op één terug te horen zijn.

Ook de wat meer theatrale, met wat glamrock doorspekte sound van tijdgenoot Magazine komt meermaals langs, evenals de dwarse dissonante akkoordenpop van XTC. De punkroots klinken nog prominent door Two People in a Room. En zullen we afsluiter Small Electric Piece dan maar als ambient wegschrijven?
Welnu, een bonte stoet klanken dus, maar toch vooral onmiskenbaar Wire. Hoogtepunten zijn zo talrijk dat ze bijna niet zijn aan te wijzen, maar mijn honger naar pakkende pop maakt The 15th tot een persoonlijke favoriet. Let u daarbij vooral op de magistrale synthesizerwaves die in het tweede coupletje opdoemen en ondanks hun eenvoud de compositie nog even tot grotere hoogte tillen. Ook On Returning, gevoelsmatig het zusternummer van The 15th, verdient het even apart genoemd te worden. Wat gaat dat nummer in de refreinen heerlijk absurd de hoogte in!

Het maakt Wire tot een heus muzikaal smikkelbakje van je lievelingstante. Maar dan beter: want paprikachips zijn weliswaar toch best lekker, ze zijn inmiddels wel voorbijgestreefd door smaken als thai sweet chili en zongedroogde tomaat. Dat zal Wire dan weer niet zo snel overkomen...