Posts tonen met het label punk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label punk. Alle posts tonen

zaterdag 19 maart 2011

Lijstje: Top 10 progressieve rocknummers

Al loop ik meestal in doorsnee H&M- en V&D-kleding en wissel ik een weelderige bos krullen af met een gemillimeterd kapsel, stiekem ben ik de laatste jaren toch wel een beetje punk geworden. Volgens mij wordt vaak onderschat hoe groot de invloed van deze muziekstroming op de popmuziek anno nu is. De pure 1977-punk van de Ramones en de Sex Pistols was geen lang leven beschoren, dat is waar. Maar het zette wel een heel belangrijke beweging in gang: tussen alle progressieve rock keerde het korte liedje terug. En dat niet alleen, er werd ook nog een element aan toegevoegd: dreiging en boosheid. Vanuit de punk (en de new wave) ontwikkelde zich een enorme hoeveelheid nieuwe band. De invloed van de muziekperiode 1977-1983 is in enorm veel grote bands van deze eeuw terug te horen. Editors, Interpol, The Killers, Acrtic Monkeys, ja, zelfs Coldplay.
Mijn fascinatie voor de explosie aan (post)punk en new wave bands rond 1980 blijft groot. Maar hoe zit het eigenlijk met die progressieve rock waar de punk zich tegen afzette? Op de grote namen als Yes en Genesis heb ik het niet zo, maar er zitten wel degelijk dingen tussen die ik kan waarderen. Soms misschien vooral uit jeugdsentiment (opgegroeid met Alan Parsons), maar ook omdat ik een beetje langdradigheid op zijn tijd best kan waarderen. Mijn tien favorieten:

01. King Crimson - In the Court of the Crimson King (1969)
02. Pure Reason Revolution - The Twyncyn/Trembling Willows (2006)
03. The Alan Parsons Project - The Turn of a Friendly Card (1980)
04. Renaissance - Trip to the Fair (1975)
05. Porcupine Tree - Gravity Eyelids (2002)
06. Harmonium - Histoire Sans Paroles (1975)
07. Marillion - Script for a Jester's Tear (1983)
08. Comus - The Herald (1971)
09. Pink Floyd - Dogs (1977)
10. Robert Wyatt - Alifib (1974)

vrijdag 11 februari 2011

Recensie: Chumbawamba - Pictures of Starving Children Sell Records

'I get knocked down, but I get up again.' Mede dankzij een voetbalspelletje liep de halve westerse wereld eind jaren negentig met dat zinnetje in zijn hoofd. Tubthumping van Chumbawamba - u kent het nog wel - was in 1997/98 nogal een hit. Een hit, ja. Op het label EMI zelfs.

Nee, dan zag de wereld er voor Chumbawamba in 1986 toch heel anders uit. Een hit? Gadverdamme, wat een vies woord. De band maakte toen namelijk nogal cynische anarchopunk waarin ze de maatschappij, de muziekwereld en wat dies meer zij zonder enige nuance op de hak namen. Een blik op de tracklist van hun debuutalbum Pictures of Starving Children Sell Records maakt dat al spoedig duidelijk. Daarop staan titels als British Colonialism and the BBC, More Whitewashing en Coca Colanisation. De teksten - of je je er nu in kunt vinden of niet - zijn zonder meer grappig. In How to Get Your Band on Television bijvoorbeeld:

Paul McCarney - Come on Down!
With crocodile tears to irrigate this ground
Make of Ethiopia a fertile paradise
Where everyone sings Beatles songs and buys shares in EMI


Dit ruim acht minuten durende openingsnummer is wat mij betreft meteen het hoogtepunt van de plaat. Na een lang intro (trompetje!) verandert het nummer plots van ritme en mag de zangeres eerst haar gal spuien. Na een korte break gaat het gas erop met een jengelorgeltje en een tot op het bot cynische zanger met een heerlijk vals brits accent. En boos dat-ie is...

Chumbawamba maakt hier geen punkrock zoals in 1977 gewoon was: het is vooral de tegen-attitude van de band die het labeltje punk met zich meebrengt. Muzikaal is het zelfs een behoorlijk gevarieerde plaat. Vaak poppy, met de tempowisselingen en wendingen van een postpunkband en een zangeres die op een of andere manier vaak bijna als een folkdiva. Het laatste nummer Invasion is dan wel weer voor een deel pure punk, maar dan wel met twee minuten pop in het midden.

Het klinkt allemaal vrij onmogelijk te combineren, maar Pictures of Starving Children Sell Records is boven alles gewoon een leuke, coherente plaat. En een stuk interessanter dan die hit uit 1997, wat mij betreft.

maandag 31 januari 2011

Recensie: Siouxsie & The Banshees - The Scream

Er zijn van die artiesten waarvoor ik de tijd dolgraag 30 jaar zou willen terugdraaien. Die ik eigenlijk in hun hoogtijdagen aan het werk zou willen hebben gezien, ondanks dat ik toen nog lang niet geboren was. Neem nou Siouxsie en haar Banshees. Ik heb nog nooit de moeite genomen om oude live-opnames van ze op te zoeken, noch heb ik er iemand over horen vertellen. Maar mijn muzikaal fingerspitzengefühl zegt dat het een geweldige ervaring moet zijn geweest. Een jonge, rebelse punkdiva in een veel te krap zaaltje, bij voorkeur ergens in een kelder. Op het podium staat een indrukwekkende vrouw met haar linkerarm in de lucht te zwaaien, terwijl ze haar hart uitstort in de microfoon. Ze verkracht er eigenhandig een Beatlesnummer door Helter Skelter valser dan vals de zaal in te fulmineren.

Zo moet het er in 1978 wel bijna aan toe zijn gegaan, ten tijde van het debuut van Siouxsie & The Banshees. Er zijn maar weinig albums die hun titel zoveel eer aan doen als The Scream. Siouxsie, die op latere singles als Christine en Cities in Dust nog wel eens zingend te horen is, schreeuwt hier namelijk slechts. In punknummers die schreeuwerig horen te zijn, maar ook in een downtempotrack als Overground.

Je moet ervan houden, zullen we maar zeggen. En tegelijk ook nog eens een beetje in een recalcitrante bui zijn. Maar dan openbaart The Scream zich als een aardedonker meesterwerk. Want onder het zwarte pantser zitten een aantal van Siouxsies beste liedjes. Jigsaw Feeling loopt vooruit op het typische gothicgeluid van haar latere album Juju uit 1981. Mirage is een in essentie vrij poppy punknummer waarvan met terugwerkende kracht de eerste tonen nogal opvallen. Je zou er het begin van de eind jaren tachtig opbloeiende shoegaze-scene in kunnen horen. Metal Postcard klinkt daadwerkelijk behoorlijk metalig.

Het toch vrij eendimensionale geschreeuw maakt de plaat wat moeilijk te doorgronden en minder toegankelijk dan latere albums als Kaleidoscope (1980) en Juju. Ook nu is Siouxsie nog steeds actief: ze bracht in 2007 nog een soloalbum uit, zonder Banshees dus. Ik heb die plaat nog nooit geluisterd, maar het houdt bij mij in elk geval de hoop levend dat ik haar ooit nog eens zie optreden. Zelfs als ze nog maar een schim is van de vrouw die ik in gedachten in 1978 op het podium zie staan, is dat nog de moeite waard.

dinsdag 4 januari 2011

Liedje van de dag: La Dispute - Such Small Hands

Mocht u houden van muziek om blij van te worden, stop dan hier met lezen. Want in dat geval is La Dispute de slechtst voorstelbare keuze. Hun plaat Somewhere at the Bottom of the River Between Vega and Altair uit 2008 staat volgehuild met een 51 minuten durende intense trip door zowat alle denkbare negatieve emoties. Ik kan zoveel ellende op één plaat maar moeilijk uitzitten, maar het openingsnummer Such Small Hands is meer dan verrukkelijk. Na een kort intro (onheilspellend gitaartje) start de zanger een soort schreeuwballade van opgekropte frustratie, woede en paranoia. Net op het moment dat je denkt dat La Dispute alle herrie van de wereld uit de kast gaat trekken om de ellende nog wat te versterken, volgt een harde knip en sterft het schijncouplet weg in slechts een paar verdwaalde slagen op een drumstel. De leegte die dát achterlaat is nog veel intenser dan de geluidsmuur die je eigenlijk zou verwachten.

Recensie: Wire - 154

Vroeger lustte ik geen paprikachips. Althans, dat dacht ik. Tot het moment dat ik bij mijn lievelingstante een zogenaamd smikkelbakje kreeg, waarbij ik geen acht sloeg op de poederachtige substantie die de aardappelschijfjes omgaf. Wat schetste mijn verbazing: paprikachips! Ik proefde ze voor het eerst en lustte ze dus toch. Ondanks mijn hardnekkige vooroordeel.

Een belachelijke gedachtekronkel van een vijfjarige? Misschien. Ik had zo mijn gebruiksaanwijzing vroeger. Een dinosaurustic, een bimbamklokkenfobie... Gelukkig is het allemaal redelijk bijgetrokken in de loop der jaren. Hoewel...

De volstrekt belachelijke neiging om iets af te wijzen voordat ik het goed en wel heb ervaren, zit er nog steeds een beetje in. Want ik moet hier dan maar bekennen: lang dacht ik dat Wire een soort van minimalistische, ontoegankelijke hardcorepunkband was. En lang dacht ik dat ik minimalistische, ontoegankelijke hardcorepunk toch nooit zou kunnen waarderen. Dus liet ik Wire links liggen. Tot eind vorig jaar, want zelfs een muzikaal watje als ik krijgt een keer een punkfase. Met een paar verzamelaars binnen handbereik - punk is toch vaak niet echt een albumding - stuitte ik op Mannequin. Een tintelfris popliedje eigenlijk, verpakt in de attitude van 1977.

Deze 154 kende ik toen al even. I Should Have Known Better verbaasde me bij eerste beluistering wel: dit leek meer op de jaren-80-gothic dan op de hardcorepunk waar ik Wire voor had aangezien. De rest van de plaat beklijfde nog niet, gek genoeg. Daar had ik toch Mannequin voor nodig. Want - misschien door mijn punkfase - viel het Wirekwartje wel bij Pink Flag. Uitgerekend de plaat die dicht in de buurt kwam van mijn oude vooroordeel, begon me te intrigeren. De korte no-nonsensnummers brachten spanning, maar tussen neus en lippen door bleek Wire af en toe erg poppy.

En zo keerde ik terug bij 154, die langzaam groeide. En groeide. En groeide. Ten opzichte van Pink Flag is Wire hier weliswaar geen 180, maar toch zeker wel een graad of 90 gedraaid. De minimalistische punk heeft plaatsgemaakt voor een geladen postpunkgeluid. Maar opvallend genoeg: de poppy kant is gebleven, evenals de onvermijdelijke 1977-roots. Dit alles resulteert in een smeltkroes van al het goede dat de punkgolf teweeg heeft gebracht.

Neem de eerdergenoemde opener I Should Have Known Better. Dat galmt als een gothische kathedraal, of beter: als bijvoorbeeld The Chameleons. Als een van de eersten (Joy Division klinkt op Unknown Pleasures (1979) nog dof, maar galmt op Closer (1980) vrolijk (ahum...) mee) zet Wire de toon voor de gothic. Om nog maar te zwijgen over het loodzware A Touching Display, dat al voorzichtig refereert aan de industrial. Dat geldt al helemaal voor Let's Panic Later, waarin bands als Psychic TV en Coil bijna één op één terug te horen zijn.

Ook de wat meer theatrale, met wat glamrock doorspekte sound van tijdgenoot Magazine komt meermaals langs, evenals de dwarse dissonante akkoordenpop van XTC. De punkroots klinken nog prominent door Two People in a Room. En zullen we afsluiter Small Electric Piece dan maar als ambient wegschrijven?
Welnu, een bonte stoet klanken dus, maar toch vooral onmiskenbaar Wire. Hoogtepunten zijn zo talrijk dat ze bijna niet zijn aan te wijzen, maar mijn honger naar pakkende pop maakt The 15th tot een persoonlijke favoriet. Let u daarbij vooral op de magistrale synthesizerwaves die in het tweede coupletje opdoemen en ondanks hun eenvoud de compositie nog even tot grotere hoogte tillen. Ook On Returning, gevoelsmatig het zusternummer van The 15th, verdient het even apart genoemd te worden. Wat gaat dat nummer in de refreinen heerlijk absurd de hoogte in!

Het maakt Wire tot een heus muzikaal smikkelbakje van je lievelingstante. Maar dan beter: want paprikachips zijn weliswaar toch best lekker, ze zijn inmiddels wel voorbijgestreefd door smaken als thai sweet chili en zongedroogde tomaat. Dat zal Wire dan weer niet zo snel overkomen...


Liedje van de dag: Mo-Dettes - White Mice

Wie dit blog nader gaat volgen, komt er waarschijnlijk al snel achter dat ik nogal verzot ben op muziek uit de periode 1978-1986. Met de pure punkrock van 1977 heb ik niet eens zo veel, maar in volgende jaren is er zoveel moois uit de punk voortgevloeid. Het korte liedje kwam na alle progrock van de jaren zeventig weer centraal te staan. Maar dan wel vaak een stuk puntiger, stekeliger of donkerder dan in de jaren zestig.

Een mooi voorbeeld is het uiterst dansbare punk/new wavehitje White Mice van de meidengroep (jawel!) Mo-Dettes. Hun plaat uit 1980 (The Story So Far) is aardig, maar dit nummer springt er hoog bovenuit. Op het album staat trouwens een iets andere (snellere) versie onder de naam White Mouse Disco. De singleversie zoals hieronder te zien vind ik persoonlijk iets beter.